Go-home Photos_no Nederlands English Iceland German
www.frozendreams.nl
Banner-km Kika Goodbookers Kellerfilm

Spartathlon Greece 2006

Paul in de voetsporen van Pheidipides; Paul hield woord; hij ging naar Sparta en schreef daarmee een klein stukje geschiedenis

De International Spartathlon Association heeft Paul's aanmelding voor deelname geaccepteerd. Met startnummer 266 ging Paul op 29 september om 07.00 bij de Acropolis van start. De Spartathlon, een wedstrijd van Athene naar Sparta over 246 kilometer die binnen 36 uur moet worden volbracht. Spartathlon, de moeder van alle Ultralopen in Europa, die meer uitvallers kent dan deelnemers. Paul heeft zich enkele jarn intensief voorbereid om dit monster onder de knie te krijgen. De vooruitzichten op het finishen in de Spartathlon waren niet bijzonder goed. Hoewel Paul recent een 24 uur wedstrijd succesvol had volbracht, zeggen in het verleden behaalde resultaten helemaal niets over een mogelijk succes in deze Griekse ultraloop.

 

Deel I; Inleiding

25 september 2006, 5.30 uur in de (vroege) ochtend. Paul en ik reizen af naar Athene in verband met Paul's deelname aan de Spartathlon. De weg naar Sparta is geplaveid met valkuilen, zo ondervinden we direct; de NS presteert het om op dit vroege tijdstip reeds een vertraging van een half uur te genereren, waardoor we pas om 6.00 uur in de trein zitten. Om 7.20 uur vliegen we op; we zouden nog bijna haast moeten gaan maken. De incheck verloopt voorspoedig; ik word eens een keer niet van onder tot boven gefouilleerd en dat terwijl Paul en ik toch beide vrij kale en hoekige koppen hebben. Zouden het onze blauwe ogen zijn? Wanneer we onze paspoorten naast elkaar leggen, worden we al helemaal niet vrolijk; in ieder geval kunnen we concluderen dat we er steeds knapper op worden.

 

De Spartathlon, onze tweede deelexpeditie, na de beklimming van de Mont Blanc. Paul rent. Ik niet. Ik zal samen met goede vriend Niels, Paul in een auto begeleiden. Daar waar nodig voorzien we Paul van bidons, kleding, maar vooral morele support. We zien het echter als onze voornaamste taak de Spartathlon op de gevoelige plaat vast te leggen. Een uniek evenement waarover Paul altijd opmerkt dat het de enige wedstrijd is met meer uitvallers dan deelnemers. Paul, vriend van Paul en communicatie-expert Alexander, Niels en ik willen over dit evenement een boek schrijven, dat geflankeerd moet worden met onze foto's.

 

De race

De Spartathlon, een race over 246 kilometer van de Acropolis in Athene, langs de Griekse kust, over vijf bergketens, waarvan de Sangas-pas de hoogste is, naar het beeld van koning Leonides in Sparta. Dit alles rennen binnen 36 uur, met tussentijdse ‘cut-off-times', ergo: je moet het gas op de plank houden, anders lig je eruit. Binnen de ultraloopwereld wordt de wedstrijd wel gezien als de meest pure loopprestatie die je kan neerzetten. Voor de meesten is het volbrengen van deze wedstrijd een droom, zo niet voor Paul. Paul verwezenlijkt zijn dromen! (althans, dat gaat hij ook hier weer proberen). Hij heeft er maandenlang onwaarschijnlijk hard voor getraind en de rest van zijn leven aan de kant geschoven. We overwegen tijdelijk om onze domeinnaam om te dopen in http://www.letmedreamfor-one-and-a-half-day.gr/.

 

Het ontstaan

In 490 v Ch. landden de Perzen in de stad Marathon (die voor de leek ongeveer 42,2 kilometer van Athene ligt ;-), alwaar ze vochten tegen de Grieken. De knappe koppen in Athene zagen in dat er veel extra manschappen benodigd waren om de stad in handen te kunnen houden. Ze gingen te rade bij Atletiekvereniging Athene Atletics en stuiten daar op de atleet Pheidippides. Hij moest in staat zijn om naar Sparta te rennen en versterkingen te halen (hoe test je dat, maar dat terzijde). Ze stuurden de boodschapper naar Sparta, een tochtje door de Griekse binnenlanden van maar liefst 246 kilometer (waarbij ik me meteen afvraag of diezelfde versterkingen samen met hem terugrennen naar Athene, dat zou namelijk een contradictio in terminis zijn met het begrip ‘versterkingen').

 

Volgens de Griekse schrijver Herodotus flikte Pheidippides het om in 36 uur naar Sparta te spurten, een trucje dat hedendaagse moderne boodschappers nog steeds proberen na te apen. En dan te bedenken dat Pheidippides niet op ASICS-muiltjes lipe, maar op leren plateauzolen met van die lullige veters tot zijn knieën. Bovendien miste hij 's nachts de warme gloed van zijn oplichtende Petzl en de 70 verzorgingsposten laten we ook even buiten beschouwing (Ai, sorry Paul, ik wil niets aan je prestatie afdoen ;-). De eerste moderne na-aper was de RAF-commandant John Foden die in 1982 met twee loopmaatjes bedacht dat het wel aardig zou zijn om de tocht vandaag de dag nog eens dunnetjes over te doen (had de beste man niets beters te doen? Vraag je je direct af. Niet dus!). John en zijn maten deed de wereldmedia versteld staan door de tocht in minder dan twee dagen te volbrengen. Het was dus mogelijke. De moderne Spartathlon was geboren. John Foden stond aan de basis, en vormt nog steeds de basis! Hij is aanwezig bij de briefing, de prijsuitreiking en reist met de lopers mee tijdens de wedstrijd. Niet meer te voet, dat dan weer niet, maar dat hoeft ook niet als je een zeer respectabele leeftijd hebt bereikt. Niels en ik hebben een aantal woorden gewisseld met deze gedistingeerde Engelsman, die blaakt van de Britse humor.

 

Deel II; De start

Dag van de wedstrijd. Niels en ik hebben onze wekker op 4.55 uur gezet. Het is even wakker worden met vochtzakken onder de ogen (daar hebben we de avond tevoor bier in gegoten in de sfeervolle hotelbar). Snel douchen we de kreukels eraf en daarna speren we met een aanzienlijke speedmars naar het London Hotel waar Paul en de overige atleten reeds aan het ontbijt zitten. We stuiten op een rat onderweg, maar verder is het rustig. Voor het hotel staan de touringcars reeds opgesteld die ons naar de start zullen vervoeren. Vlug veroveren Niels en ik een plekkie in het kleinste (meest luxe) busje, samen met Paul, en de Nederlandse deelnemers Henk Harenberg en Simon Pols. De bus vertrekt het eerste en in minder dan 25 minuten staan we op een verlichte parkeerplaats aan de voet van de Acropolis. Binnen de kortste keren gonst het aldaar van de bedrijvigheid. Daar waar de lopers nog een allegaartje vormden (zeg maar rustig een bijeengeraapt zootje) staan nu 276? Professionele atleten, de wereldtop, of beter de ultraelite. Woestijnpetjes, bidonhoudertjes, squeezy's, singlets, zonnenbrand, kleurtjes, brilletjes en vaseline zijn niet van de lucht. Iedereen staat zenuwachtig te pulken en te pielen, foto's worden geschoten; een nerveus gela(g)(ch).

 

Startperikelen

Paul ziet er retescherp uit en heeft de look van een ontspannen roofdier dat zeker is van zijn prooi; hij is er helemaal klaar voor, na zijn professionele voorbereiding. Een andere Nederlandse atleet is er ook klaar oor. Hij heeft zijn rode ASICS-racers??? al aan, hetgeen bij mij de vraag oproept hoe je een wedstrijd van 246 kilometer loopt op wedstrijdschoenen met een levensduur van 100 kilometer. Maar hij zal zeker 3 paar bij zich hebben (hij zou de wedstrijd vroegtijdig en geblesseerd eindigen). In het donker flitsen Niels en ik heel wat af, terwijl Paul ontspannen met Henk en Simon delibereert. We nemen de Japanners, de Koreanen en de Fransozen achtereenvolgens op de foto; de meest fotogenieke teams. Dan om drie minuten voor zeven wordt er een provisorisch start/ sponsordoek door de atleten uitgerold en opgehouden. Niels en ik beklimmen een hoge stenen muur en kijken uit over de andere fotografen. We zien 276 fluorescerende tenuetjes die voor ons opflitsen als gevolg van de flitsende fotografen. De spanning is te snijden.

Oneindig zo(o)(e)men

Dan de provisorische PANG (aftellen van 20 tot 0), waarna de massa zich in beweging zet. Zenuwachtig richt ik mijn enorme Canoncamera van sponsor Calumet Photographic in Amsterdam (it's where the pros go) ;-] met extra versterkte turbo 24:1 megalens op de hotsende massa om te concluderen dat een en ander niet wil fotograferen. Het apparaat wenst zich niet te focussen op een kudde die zo in beweging is, met als gevolg dat mijn enorme lens oneindig op en neer zo(o)(e)mt, zonder dat ik een flits zie of hoor. Shit! Dit had fotograaf Alexander me niet geleerd! In een flits (andere flits) zie ik Paul voorbijflitsen en druk af. Ha! Een flits! Ik heb Paul op de gevoelige plaat;ik weet niet hoever hij zal komen, maar zijn start staat er in ieder geval op. Binnen no time is de ultramassa, om de Acropolis uit het zicht verdwenen en blijven Niels, ik en een handvol andere fotografen en cameramensen over. Haastig spoeden we ons weg - we are on a mission - en verdwijnen in de smalle straatjes van de Plaka, het oude centrum van Athene. De start zit en staat erop.

 

Deel III; Het ooggetuigenverslag van de coach

Griekse gekheid in het verkeer

Na een ontbijtje in ons hotel springen we in onze Toyota Carolla van ACE Rental Car ;-] en wagen ons in het Griekse, of beter: Atheense verkeer. Hier heb ik de afgelopen dagen heet meeste tegenop gezien. Grieken rijden als gekken (om in alliteratie te vervallen). Ze halen links, rechts, voor en achter je in. Als je een gat laat, rijdt er iets in. Dit alles staat nog los van verdwaalde honden, katten, ezels, boeren, fietsers, katten, geiten en kippen (en een verdwaald hangbuikzwijntje, maar dat terzijde). Tenslotte staat alles verschrikkelijk slecht aangegeven. Je bevindt je op de rechterbaan van een 4-baansweg, waar alles iedereen inhaalt, ziet dat het vliegveld schuin met de bocht mee naar rechts is, om net na de bocht te constateren dat er direct op de meest linkse baan een afslag naar links volgt voor het vliegveld. Met 140 rijden we er snoeihard langs. Gelukkig corrigeert Niels op z'n Grieks, schakelt terug van 5 naar 1 binnen 1 seconde, trekt de handrem iets aan en sorteert voor (Griekse benaming voor ‘dringt voor'), gooit m lafjes om de U-turn, om van daaruit meteen weer door te accelereren voor de Shell-tankwagen die met 120 op ons inrijdt, waarbij de Toyota niet afslaat, hetgeen geen sinecure is.

 

De kustweg

Voorspoedig vervolgen we daarna onze weg, ruim om Athene heen, meteen concluderend dat Grieken rijden als gekken in Athene, maar dat het er daarbuiten iets minder gek aan toe gaat. Bij Elefsina verlaten we de snelweg, om de parallelle kustweg te pakken en de lopers op te pikken (niet letterlijk dan he!). Een vreemd en wild Grieks bord op de weg. Knalhard erlangs, om na de bocht te constateren dat we niet verder kunnen omdat er aan de weg gewerkt wordt. Ah! Dus dat stond er opdat bord. Terug naar de snelweg dus (als variant op weg van de snelweg) en de volgende afslag weer een poging wagen. Poink! Direct hebben we een paar lopers in t vizier. Ai! Dat ziet er niet zo fris meer uit. Sommigen wandelen; nu al!? En we zijn nog geen 50 kilometer ver! Her en der zien we groepjes lopers die zich een weg door het verkeer banen. Bijstanders kijken sceptisch en nonchalant naar deze atleten die zich in de gloeiende Griekse hitte een weg banen naar Sparta (pas enkele kilometers voor Sparta merk je dat de lokale bevolking echt meeleeft en beseft wat deze atleten presteren; de atleten zien er op hun beurt dan ook wel zo verlept uit dat dit vraagt om een applausje). De auto's wijken niet en we zien atleten zigzaggen tussen geparkeerde auto's en Griekse stoepen. Aan Griekse stoepen en vooral de kolossale gaten en putten daarin kunnen we een aparte column wijden, maar dat laten we hier even achterwege. Zoals gezegd: de weg naar Sparta is geplaveid met hindernissen.

 

Freeking hot

Niet veel verder signaleren we Paul, die er fier en monter bijloopt temidden van een groepje. We toeteren niet (veel anderen schijnen dat wel noodzakelijk te vinden terwijl lopers dat vaak gruwelijk irritant vinden omdat ze uit hun concentratie worden gehaald). We steken onze duimen uit de ramen. Paul grijnst en steekt een arm op. Zo her en der langs de kust schieten we foto's, maar bovenal concluderen we dat het warm is, corrigeer: het is freeking hot. Tijdens het wachten zetten we de airco op maximaal. Het mag niet baten: in de auto komt het kwik niet onder de 18 graden en de zon brand alsnog op je huid alsof het 40 graden is. Het voelt heet, terwijl de koude lucht langs je keel blaast. Keelpijn is het devies; nu 2 weken later komen er nog steeds niet al te friss stukken...afijn ik zal niet verder uitweiden. Zodra we een deur van de auto openen walmt er een golf hete lucht naar binnen, zien we het tellertje stijgen en kan het koelingsproces opnieuw aanvangen. We stinken. De auto stinkt ook. Paul stinkt ook. Het meeste stinken Paul's kleren die hij tijdens de twee kledingwissels aan ons meegeeft en waarvoor we hem tot in het diepst van ons hart dankbaar zijn. Hermetisch sluiten we de (zweet)zakken af, maar het mag niet baten.

 

Met pacman in de rug gaat alles hard

Rond de 70e kilometer springen we even in een baai om af te koelen. De ultralopers hobbelen voorbij en lachen als boeren met (gruwelijke) kiespijn. Mt de cut-off-times in de rug, kunnen ze zich niet even bij ons voegen: een tantaluskwelling. Vanuit het verkoelende, heldere water in de pittoreske baai;-] moedigen we hen aan als nooit tevoren. Ha! Paul kan hier vast ontzettend genieten van de hittetrainingen die hij in Nederland heeft volbracht en hier in de praktijk kan brengen. Na onze verfrissende duik warmen we ons op het prachtige kiezelstrand in de zon en slaan het schouwspel gade: ultralopers die blijven komen, maar spoedig uit de wedstrijd zullen worden genomen, omdat ze de verzorgingsposten niet binnen de cut-off-times zullen bereiken. Dat maakt deze wedstrijd zo bijzonder: bij elke post moet je voor een bepaalde tijd binnen zijn, anders wordt je simpelweg uit de wedstrijd genomen. Je kan het vergelijken met een spelletje pacman: het hele parcours vol met lopertjes en van achteruit komt een bus (waarom denk ik aan dat stomme liedje?) en die komt zo de lopertjes aftikken en opslokken. Je loopt dus continu met het gas op de plank, met een soort ‘snappende' guillotine achter je kont. Naarmate je verder in de wedstrijd bent, laat de organisatie de doorkomsttijden iets vieren; je hebt dan bewezen dat je een beetje kan rennen en je krijgt een beetje meer speelruimte.

 

Paul gaat naar Sparta

Paul trekt zich de cut-off-times - nuchter als hij is - natuurlijk vreselijk aan en perst er een eerste marathon uit in 3.47: VEEL te snel! Zonder gekheid: Paul heeft lak aan de cut-off-times. Paul doet zijn eigen ding. Hij trekt zijn eigen koers en is hier met one soul purpose: in eigen woorden ‘ik ga naar Sparta, tijdens de wedstrijd of erbuiten'.

‘Maar Paul, stel nu dat je uitvalt, of te langzaam bent?'

‘Ik geloof dat je niet helemaal naar me luistert: ik ga naar Sparta'.

‘Jawel Paul, maar in het hypothetische geval dat je gedehydrateerd, rochelend ter aarde zakt en in de goot ligt te decomposteren in de gloeiende Griekse hitte terwijl Griekse zwerfhonden...?'

‘Nee, nee', zegt Paul zuchtend, ‘Je begrijpt het nog steeds niet helemaal: IK GA NAAR SPARTA'.

Hoofdschuddend kijken Niels en ik elkaar aan bij het horen van deze woorden. Wat een eigenwijs mannetje is die Kamphuis toch! Wel vastbesloten, datdanweerwel. We laten het rusten en twijfelen niet aan 's mans woorden.

 

Terroristische dreiging

Vanaf kilometer 81,6 mogen de atleten zelfs een eerste helpende hand toegereikt krijgen van eventuele supportteams - wij dus! Voorlopig steken we echter nog geen poot uit en laten Paul even voor wat hij is: een zwetende en stinkende ultraloper en we rijden vooruit richting het kanaal van Korinthië op 78,1 kilometer om lekker uitgebreid te gaan lunchen. Onderweg fotograferen we een prachtige baai en we kieken een Amerikaanse loper met op de achtergrond een ingewikkelde constructie van buizen en pijpen: een raffinaderij. Terwijl Niels vóór de loper op de grond ligt met zijn kolossale camera en ik aan de zijkant van de weg mijn apparaat in de aanslag heb, komt er direct een politiewagen aangescheurd. Daar staan we dan: 2 knaapjes met hun enorme camera's. We prevelen drie keer ‘Spartathlon', waarna hij afdruipt. Schijnbaar vormen we toch een verdachte aanblik, zo beide liggend met toeters van camera's gericht op een zeer brandbare installatie. We voelen ons echt belangrijk; echte topfotografen.

 

3-1 Pheidippides!

Via de ‘oude weg' belanden we bij een natte, houten brug, die ons over het kanaal voert. We strijken neer bij een sfeervolle taberna en concluderen dat we het zwaar hebben. We besluiten eensgezind fotograaf te worden. Sport en mooie meiden gaan we fotograferen, zo overpeinzen we terwijl we met Griekse haast (contradictio) peuzelen aan onze greek salad, tzatziki, souvlaki, squid, octopus en brood. Paul zit ook vast aan (zit aan is niet de correcte term, beter: dribbelt met) de lunch, een lekkere plaksqueezy, en knapperig mueslireepje en een glaasje lauwe cola. Ik neem nog een koude halve liter Amstel en staar dromerig voor me uit naar het houten bruggetje, dat opeens afzinkt en in het water verdwijnt. Verbaasd zien we hoe het bruggetje maar liefst negen! Meter onder het wateroppervlak verdwijnt en hoe niet veel later een enorm vrachtschip zich door dezelfde engte wurmt. Meteen schiet door mijn hoofd de vraag hoe Pheidippides in ‘zijn tijd' hier passeerde. Waarschijnlijk niet zo'n probleem: het kanaal is een ‘zaagsnede' die twee delen van Griekenland scheidt. Een snede die ongetwijfeld pas gezet is na de tijd van Pheidippides, toen internationale handel en met name de bijbehorende vrachtschepen een kanaal vereisten. Dit nog los van het feit dat toentertijd de benodigde apparatuur voor het fabriceren van dit ‘kanaaltje' nog niet beschikbaar was. We concluderen dat Pheidippides hier in het voordeel was, hij kon gewoon de binnenbocht nemen over het strand, terwijl Paul en de zijnen ‘omhoog' moeten om de vaste brug over het kanaal te passeren. 1-0 voor Paul. Pheidippides had echter leren plateauzolen, ontbeerde een Petzl en miste 70 verzorgingsposten...: score 1-3).

 

Het Noordzeekanaal

Plots een tweetal bekende gezichten: de vrouw van ultraloper Thijs Roest uit Groningen, die door de organisatie gestrikt is om drie verzorgingsposten te ‘bemannen' en een dame van de organisatie met wie Niels en ik een plezierig gesprek hadden tijdens de briefing. Ze schuiven aan en we laten ons de Griekse maaltijd goed smaken. Netwerken blijkt te werken, want ons eten wordt zomaar voor ons betaald. We bedanken en vertrekken vlug richting de brug waar Paul het kanaal zal oversteken. Voor Paul is dit een magisch punt: een derde deel van de wedstrijd zit erop en het kanaal vormt een nationaal Grieks monument. Tijdens Paul's trainingen in Nederland, van Den Helder naar Leiden vormde het Noorzeekanaal  het kanaal van Korinthië (hoezo voorbereiding!?). We willen hem hier graag fotograferen. Direct na het kanaal, 2,1 kilometer verder ligt echter checkpoint Hellas Can, het 1e punt waar we Paul met raad en daad terzijde mogen staan. Concreet: maak foto's, pak je auto, haal Paul in, vindt checkpoint, sta klaar voor Paul: een lichte stress maakt zich van ons meester. Wij topfotografen moeten werken voor ons geld...

 

Profs

Paul passeert de brug samen met Henk Harenberg, een gezellige ultraloper die zo nu en dan een biertje lust, met een kale kop (mag ik zeggen, want ik ben ook kaal). Hij lacht altijd en doet denken aan popfenomeen Moby. We klikken er lustig op los, terwijl Paul en Henk op de brug een onderlinge strijd uitvechten waar wij geen weet van hebben. Een aantal Nederlandse atleten blijkt vroegtijdig de wedstrijd te hebben moeten verlaten met als gevolg dat Paul en Henk respectievelijk eerste en tweede lopen. Henk gaat grijnzend één stap voor Paul lopen onderwijl roepend ‘neh neh, neh-neh-neh, ik ben lekker eerste!', waarop Paul hetzelfde doet. Zoals gezegd: wij hebben hiervan geen weet en zijn onder de indruk dat we hier met de professionele wereldtop der ultralopers van doen hebben.

 

FF schakelen en de wereld klein houden

We hollen hen voorbij, pakken de Toyota en racen naar het checkpoint, waar we net op tijd arriveren op Paul en Henk op te vangen. Paul komt lachend aangedribbeld. Hij wordt opgesierd door immense witte zweetkringen en stinkt als een decomposterende bunzing (ik heb me laten vertellen dat die nogal sterk ruiken). We dollen wat, klikken wat en Paul is goedgemutst. Hij heeft mij uitgebreid geïnstrueerd hoe we hem moeten coachen. We mogen nooit zeggen hoever hij nog moet lopen, dus bijvoorbeeld: ‘he Paul, het is nog maar 175,6 kilometer'. Paul wil zijn ‘wereld' graag klein maken en houden. Het enige dat we hem dus mogen toeroepen is ‘he Paultje, nog 3,1 kilometer naar de volgende drinkpost, eff aftikken en daar wachten we dan weer op je!'. Van drinkpost naar drinkpost dus. We mogen dan echter weer niet roepen ‘he Paul, nog maar 67 drinkposten!', want dan wordt zijn wereld weer iets te groot en dat trekt hij niet zo goed. Of bijvoorbeeld bij post 61 op 202 kilometer ‘he Paultje, nog eff een Mergellandmarathonnetje en dan zit t er alweer op (voor de leek: de zwaarste marathon die Nederland kent, vanwege de heuvelachtige eigenschappen van het parcours)'. Hierbij vraag ik me dan direct af of de laatste 6 kilometers van mijn marathons net zo aanvoelen als de laatste marathon van Paul's Spartathlon (volgt u het nog? Normvervaging heet dit, of upscaling of relativering).

De strekking van Paul's instructies is duidelijk: Paul denkt klein en wil dat graag zo houden. Bij één van de laatste posten durf ik wel te roepen: ‘he Paultje, alleen nog een prestatieloopje van 12,3 kilometer om het lokale buurthuis!', maar die valt dan weer in de categorie humor en dat moet je aanvoelen. Wanneer Paul te lang blijft trutten bij een post is het codewoord ‘ff schakelen Paul!'. Hij zal dan op de plaats gaan dribbelen en langzaam weer in looppas vervallen. Eelke drinkpost vormt immers een verleidelijke STOP, en dat is nu juist wat we niet willen met de cut-off-pacman op de hielen; Paul gaat immers naar Sparta. Ff schakelen wordt een veelgebezigde term, vooral gepaard met de nodige drill-instructor-achtige stemverheffing.

 

Stoere plakkaten

Paul sjokt lekker verder achter Henk aan, ons achterlatend met squeezyzakjes en halve rijstyoghurtjes. Wemelden ons bij een balie (kampeertafeltje) waar we de plakkaten voor onze begeleiderswagen in ontvangst nemen, alles gaat hier namelijk erg professioneel. Met een rolletje tape plakken we een en ander aan weerszijden en aan de achterzijde van de auto en vervolgen onze weg, hopend dat het droog blijft en we onze stoere plakkaten kunnen behouden.

 

Een stoffige kruising in Mexico

De eerstvolgende drinkpost is een juweeltje: een wit dorp in the middle of f... nowhere, met één grote kruising,alwaar een agent driftig staat de gebaren naar de lokale tractor. We zetten ons neer op een stoeprand en slaan het schouwspel gade. Hier gebeurt echte HELEMAAL NIETS! We wanen ons niet alleen in midden-Mexico, maar dan ook nog eens honderd jaar terug in de tijd: cowboys, witte huizen, cactussen, broeierige lucht en... van tijd tot tijd een sporadische ultraloper. Wat een rust! De Peloponesos op z'n best. We fotograferen een aantal fotogenieke atleten die water over zichzelf uitgooien met daarachter de verdwijnende zon en die ene kruising.

 

Bare land en finesse

Na dit gat met de naam Examilia gaan Niels en ik verder. De hele route wordt gekenmerkt door verzorgingsposten met de meest fantastische, uiteenlopende namen. Wat bijvoorbeeld te denken van Zevgolatio of Malandreni (je zou direct je eerste kind zo noemen, toch?), of small shop (ergens middenop de Peloponesos ligt een klein winkeltje; benieuwd of we het zullen vinden) of bare land (dat IS de Peloponesos...) of Zorba Tavern on the left, of Mrs. Screech's Villa of small farmhouse and big tree. Allemaal namen die deze race een (heide)kneuterig cachet geven.

Even verder volgt oud-Korinthië op 93,4 kilometer, meer oude ruines dan modern dorp. We zoeken het gezelligste terras uit op het dorpsplein en zien hoe een aanzienlijk deel van de atleten hier naar de kl... is en het handdoekje in de ring gooit. Naast ons schuift een Nederlandse dame aan, het is Ria Buiten, de enige Nederlandse ultraloopster. Ze is uitgestapt en kijkt samen met ons toe hoe Paul fris en monter binnenrent en aanschuift op het terras. We kopen een koud blikje cola voor hem en Henk, waarna ze opgewekt verder hobbelen. Niels en ik - cultuurbarbaren van het ergste soort - werpen een blik op de ruines, maar constateren dat zwetende ultralopers fotogenieker zijn. Paul vindt dit het mooiste stukje van de race: een ultraloper met finesse!

 

Klootvet en bier

We spoeden ons naar Zevgolatio op 102,5 kilometer waar Paul zijn eerste kledingtas klaar heeft liggen. Het is een druk dorpje met een post op het dorpsplein. Ik tuur de weg af naar Paul en zie dan plots Henk verkeerd lopen. Snel ren ik hem achterna, het hoekje om, maar hij is uit het zicht verdwenen. Snel spoed ik me terug, want in mijn ooghoeken ontwaar ik Paul reeds. Nog steeds is hij fris, scherp en vol goede moed, terwijl hij zich van zijn kleding ontdoet. Dit tot grote hilariteit bij de omstanders. Wanneer hij een en ander in et (kloot)vet begint te zetten is de bok los. Drie oudere Griekse dames beginnen enthousiast te joelen en weten zich geen houding meer te geven. De mannen overigens ook niet. Niels en ik knipperen niet eens met onze ogen. Ik houd Paul's tight klaar zodat hij er meteen in kan stappen zonder te bukken, hetgeen tot kramp zou kunnen leiden nu. Ik wurm zijn craft-shirt aan, stop zijn Petzl-lampje in zijn bidonhouder en voer hem een magnesiumtablet. Niels klikt er lustig op los en heeft reeds meer dan 400 foto's. Dan duikt daar plots Henk weer op met een grijns van oor-tot-oor. Hij heeft bij een kroeg om de hoek een halve liter bier geregeld en is weer fris als een hoentje. Een man naar mijn hart: lopen met een grijns op koolhydraten. Later in de wedstrijd zou hij er nog een halve liter achteraan mikken, maar dat werd zelfs hem teveel. Extreme vermoeidheid nekt hem na een kleine 164 km in circa 23 uur en 3 kwartier. Henk en Paul, samen hobbelen ze de nacht tegemoet; twee duracell-konijnen met Petzls.

Geen eten

De volgende grote post is Halkion op 113,1 kilometer. De lopers bereiken de post na een gruwelijke klim. Wij rijden vooruit in de hoop eten te vinden. Tevergeefse hoop, zo blijkt, als we in een lokale coffeeshop verlicht met sfeervolle TL-balken door het ganse dorp naar buiten gekeken worden. ‘You have food?', vraag ik. Hysterisch gelach is mij beschoren en het eerste meisje vlucht de keuken in. ‘Souvlaki, Greek salad?', vraag ik. ‘NECHE NECHE!', gorgelt het meisje terwijl ze een gebaar maakt alsof ze haar eigen keel afsnijdt. Hmm, nonchalant slenter ik naar het tafeltje waar Niels zit en mompel dat we dit etablissement in de middle of nowhere maar snel achter ons moeten laten. Dit zijn de gehuchten waar huurauto's worden teruggevonden en toeristen spoorloos verdwijnen. Niels is het roerend met me eens en we vetrekken op z'n Grieks: met gillende banden en opspattende stenen.

 

Mentaal (on)gebroken

Hongerig zitten we op een muurtje, in afwachting van Paul. Niels heeft zijn statief voor de afwisseling ten tonele gebracht. Middels heftige flitsen proberen we iedereen vóór Paul dusdanig te verblinden dat 10 minuten doelloos dwalen op de Peloponesos het enige lot is dat hen beschoren is. Dit is de eerste keer dat ik vermoed dat Paul er volledig doorheen zal zitten: 113 kilometer en een gruwelijke klim. Edoch Paul verbaast me en komt lachend uit het donker tevoorschijn. Een beetje zwalkend en gedesoriënteerd, datdanweerwel. Gedurende de wedstrijd volgen nog enkele keren waarop ik verwacht dat Paul er wel volledig doorheen zal zitten, maar telkens weet hij me te verbazen. Na het gebruikelijke ‘ff schakelen' en een rijstpuddinkje verdwijnt meneer weer tussen de krekels. Wij vervolgen onze strooptocht naar eten; wie zei dat we hier voor Paul waren?

 

Een rechtse hoek

Een lange rit in konvooi door de duisternis. We volgen een bus en enkele auto's over een lange rechte weg naar Archea Nemea op 124 kilometer. Helft wedstrijd. Het blijkt een wijndorpje met de bijbehorende gistingsgeuren. Er is een grote postlans de kant van de weg bij een mooi wit kerkje. We zetten ons op een muurtje naast enkele ‘echte' Grieken en snuiven de nachtlucht op. Enkele lopers staken hun wild geraas en worden in aluminiumdekens gewikkeld. Temidden van de drukte loopt een jongen van de organisatie die de startnummers van aankomende lopers rondbrult. Daarnaast slaat hij bij elke atleet met veel geweld en bombarie een reflecterend polsbandje om de arm. De atleten schrikken in eerste instantie, maar lachen dan. Het ontlokt bij mij en Niels een discussie: word je nu als loper even uit je race gehaald, waardoor je even bij je positieven komt, of schrik je en ben je van je stuk gebracht? Ik vermoed het tweede en zeg Niels dat we Paul van tevoren even moeten waarschuwen, zodat hij die kerel geen rechtse hoek verkoopt. Een juiste beslissing hoor ik later van Paul, wanneer hij met Henk weer oplost in de duisternis.

 

Rottende tanden

Niels en ik overleven ondertussen op cola, reepjes, sportdrank met appelsmaak (yuk), chips, bananen en ander ongerief. Nog even en de tanden vallen ons uit de schedel. Vlug vervolgen we onze strooptocht. Er volgt een lang stuk, niet voorzien van enig asfalt. Zeg maar rustig: de Camel Trophy valt erbij in het niet. We stuiteren met onze huurtoyota door de jungle, gevolgd door 2 grote koplampen van een auto die lijkt te willen aanpikken. Niels geeft alles en probeert onze volger af te schudden. Het kost moeite. Kuilen, takken en modderspoor. Plots merk ik op dat het ook de politie kan zijn die ons al kilometers volgt. Misschien mogen we hier wel helemaal niet rijden... Niels plankt en we schudden onze tail definitief af, als opeens de jungle weer overgaat in asfalt (lees: civilisatie). Een lange afdaling brengt ons in Malandreni op 140,2 kilometer, waar we bijna een taverna binnenscheuren. ETEN! Klinkt het synchroon uit twee hongerige schedeltjes, waar de tanden nog net in overeind blijven. Twee greek salad, zes souvlakistokken en een halve liter Heineken zijn snel verdwenen, waarna we lachend 13,5 eurtjes op tafel mikken. Alsof het niks is (is het ook). Om ons heen bevindt zich de harde Griekse kern van Malandreni die de Griekse wijn lekker laat stromen. Ze lallen er lustig op los met z'n allen, zonder de lopers buiten ook maar een blik waardig te keuren. Niels klikt; Griekse cultuur (soms kunnen ook wij cultuur appreciëren, zeker als we hongerig zijn). Buiten botst een Mercedes zich een weg de berg op, van auto naar auto. Ai! Als ie Paul maar niet raakt! De Grieken schenken er geen aandacht aan. Wij concluderen dat ook Grieken en alcohol in het verkeer niet samengaan. Een Duitser strompelt de post binnen. Hij wil een bed. Men maakt iets dat op een bed lijkt. Hij stort neer. Geen beweging meer. Is hij dood?, vragen wij ons af. Daar komen Paul en Henk de berg af, scherp en lachend, zij-aan-zij. We reiken kippenbouillon aan (voor de leek: zout, veel zout). De lokale jeugd wijst hen daarna de weg, de nacht weer in, het dorp uit. Wij volgen op de voet, per auto.

 

Petzlsliert op de Sangaspas

Er volgt een gruwelijke klim richting de post ‘base of mountain' (heeft een contradictie in zich, maar dat terzijde) op 159,3 kilometer. Hebben hier ooit eerder auto's gereden?, vragen we ons verbouwereerd af, terwijl we de dalkant angstvallig mijden (lees: duizelingwekkende afgrond). Edoch de andere zijde van de weg is opgesierd met neergestorte rotsen en puin. Moeten ze hier omhoog?, schiet het door m'n kop. Er lijkt geen eind aan te komen en wij worden reeds moe van het rijden van dit traject (in z'n 1). Hier zal Paul uitstappen, bedenk ik me. Het kan eenvoudigweg niet anders. Als we boven zijn (lees: aan de voet van de berg) staan we aan de voet van de Sangas-pas, de hoogtse bergpas in het parcours. Lees elk willekeurig wedstrijdverslag - van een atleet die zo ver is gekomen - erop na en de schrik slaat je om het hart. We kijken vanaf de post over de bomen en zien een sliert met Petzls die omhoog gaat tot... tot de maan lijkt het wel. Slik! Bij het zien van zoveel hindernissen op de weg naar Sparta, besluiten we even een half uurtje de oogjes te sluiten om te recupereren. Alleen al de aanblik van zoveel hoogtemeters eist bij ons zijn tol, We rammen de voorstoelen van de huurauto zo ver mogelijk naar beneden en maken het ons ‘comfortabel'.

 

Algehele brakte

Zoals we eigenlijk al wel wisten, was het geen briljant idee om ons 30 minuten te ruste te leggen. Brakker dan brak kruipen we uit de auto en strompelen naar de post. Een post niet gekenmerkt door iets dat op een stoel lijkt, of iets waar je je kont te ruste kan zetten. Verkleumd ijsberen we in de rondte, misselijk van de slaap en vermoeidheid. Niet veel later komt Paul binnen. We geven hem bouillon en een warmer jasje voor de koude bergpas. Ondertussen kletsen we veel met hem; pure afleiding om te zorgen dat hij niet naar boven kijkt en de Petzlsliert ontwaart. We moedigen hem aan en hij schakelt uit zichzelf weg. Niet veel later volgen henk en...Simon, die ee aardige achterstand heeft ingelopen. Henk is total loss; het litertje gertsennat heeft zijn werking gedaan. Hij zit voorover met het hoofd in zijn handen en overlegt met ons of hij de bergpas moet doen. ‘Tuurlijk Henk!', klinkt het synchroon, ‘je bent nu al zo ver (dat kan er ook nog wel bij...), je krijgt vast spijt als je het niet doet. Het is ongeveer 4,8 kilometer, als je het gehad hebt is het een bergwandeling van ongeveer anderhalf uur en dan kun je altijd nog uitstappen!'. Henk glimlacht vermoeid, veert op en vervolgt zijn weg. Simon ziet er ronduit gesloopt uit; de ogen nog verder achterin de kassen en hij staat niet helemaal zeker meer op de benen. We steken hetzelfde verhaal nogmaals af, geven ook hem bouillon en laten hem vooral niet omhoog kijken. Ook hij gaat de pas op. Dit is het punt waarop lopen ultralopen wordt. Normaal wordt ultra en ultra wordt normaal. Vanaf hier wordt gemeten met andere maten. Méér dan de helft van de lopers ligt eruit, infusen, aluminiumdekens en blaren zijn niet van de lucht en Paultje... die blijft gaan. Ik sms zijn goede vriend, fotograaf Alexander: 160 kilometer en still going strong; het lijkt wel of die eikel het gaat halen.

 

Privaatrechterlijke overpeinzingen

Om de pas te ronden, moeten wij 30 kilometer omrijden via een tunnel en vervolgens vier drinkposten terugrijden, alvorens we Paul weer zullen oppikken. Tijdens de rit volgen we een bus, in de hoop dat de chauffeur wèl weet waar de post ‘airbridge' is. We komen in ieder geval een brug tegen. Een lage brug. Te laag voor de bus, die we moeten achterlaten. Wanneer we weer op Paul stuiten, rijden we hem eerst voorbij. Hij blijkt reeds verder te zijn dan we verwachtten. Ik moet een stukje terugrennen om te kunnen bevestigen dat hij het ook daadwerkelijk is, hetgeen ik concludeer uit de tekst ‘de Hardloopwinkel' die op zijn sponsortenuetje staat gedrukt. Paul wil zijn jasje uittrekken en aan me geven, maar i ben streng. ‘Nee Paul, ik mag je niks geven en niks van je aannemen, anders kan je gediskwalificeerd worden.' Paul gromt en vervolgt zijn weg. Maar ik wil geen risico's nemen, ze zijn streng hier en in de reglementen staat letterlijk: runners may receive help from their support team only at certain check/ supply points en may not, under any circumstances, stop at any other check/ supply points. Er schiet nog even door mijn hoofd dat Paul zijn jasje gewoon op straat kan flikkeren - in het privaatrecht: kennelijk prijsgeven - waarna ik het als gevonden voorwerp kan toe-eigenen, maar iets in me zegt dat de Griekse organisatie dit verhaaltje zal wegwuiven in geval van een onenigheid.

 

De Megaton; alles voor niets

Bij het ochtendgloren heeft Paul er stevig de pas in en kilometer 168 tot 190 gaan relatief voorspoedig. Paul focust zich op de drinkposten en tikt steeds 3 a 4 kilometer af, waarbij de waarschijnlijkheid dat hij Sparta gaat halen steeds groter wordt en de dag steeds heter. Hij ziet er inmiddels getekend uit: blaren (die kunnen we net niet zien), schuurplekken tot bloedens toe onder zijn oksels, ingevallen kop, verbrande armen en benen, dunne beentjes en een afgetekende kaaklijn. Hij blijft echter scherp en loopt technisch nog steeds heel sterk. Niels belt ondertussen met een vriendin die hem vraagt ‘hoe lang die Megaton eigenlijk is'. Als Niels antwoordt 246 kilometer, gilt ze ‘maar dat mag toch helemaal niet!?' De moeder van Niels reageert nog mooier: ‘Als hij het nu maar haalt, anders is het allemaal voor niets geweest...'. De standaardreactie blijft natuurlijk: ‘dat is toch niet gezond!?', waarop we steevast antwoorden: ‘moet dan dan?'.

 

Laatste; pacman is coming

Op een prachtige plek maan ik Niels te stoppen. De zon komt hier over de bergkam en Paul rent door de ochtendnevel die geel kleurt; prachtig. Zo kan lopen zijn. We wachten vijf minuten totdat Paul arriveert. ‘Wat is dit mooi he!?', roept Paul vol overgave. Een atleet in zijn element. Na 195 kilometer wordt het bikkelen. 1 dag gerend in de hitte, 1 nacht met een bergpas en nu een 2e dag in de hitte. Paul loopt inmiddels laatste. Hij weet dat niet. Wij weten dat wel. We vertellen het hem niet. Wat we hem wel zeggen?: ‘Paul, achter je is het een gigantisch slagveld: infusen, helikopters, ambulances, mensen die flauwvallen en afgevoerd worden, dehydratatie, zeker 150 uitvallers etc. De waarheid!, we laten echter een klein, maar niet onbelangrijk detail achterwege; pacman is coming. Paul kijkt verwonderd en zet de pas er weer in. Missie geslaagd.

 

Buigen of breken...

De cut-off-times beginnen er nu echt in te hakken. Paul krijgt 10 minuten per kilometer, dus ongeveer 6 kilometer per uur, maar zelfs dat is nu eigenlijke teveel gevraagd. Wandelen, rennen, strompelen, joggen, slenteren... Hoe maak je iemand duidelijk dat hij nog maar 46 kilometer hoeft...? Het doet pijn aan mijn ogen. Als loper weet ik als geen ander de pijn en de mentale druk die hij moet doorstaan. Het kost me veel energie en ik vraag me voor de zoveelste keer af wanneer hij zal breken. Maar Paul breekt niet en vecht door. Op het dieptepunt heeft hij 25 minuten achterstand op de cut-off-times, maar de organisatie staat het oogluikend toe. Inmiddels staan bij elke post de bezembus en de vrachtwagen die de posten opruimt. Dit kan zelfs Paul niet ontgaan zijn. We klappen als nooit tevoren en slaan hard op het dak van de auto als we hem voorbij rijden. Het is buigen of breken...

 

Paul in de voetsporen van

Paul krijgt inmiddels permanente begeleiding van een rode auto met een official die hem monitort. Bij een van de posten vraagt de man hoe ik vind dat Paul erbij loopt. ‘Scherp, technisch sterk, heldere blik in de ogen en geen coördinatieproblemen', antwoord ik. De man gromt en kan niet anders dan instemmen. ‘And I think he's speeding up', voeg ik eraan toe. De man verdwijnt met zijn rode bolide. Hij rijdt vooruit en overtuigt de mensen bij de posten te blijven staan en niet reeds de boel in te pakken. Bij één van de posten schiet Paul me aan: ‘Jan, als ze me uit de wedstrijd nemen en mijn pasje en startnummers afpakken, dan moeten we een plan trekken', zegt hij. ‘Het maakt niet uit wat er gebeurt, ik ben hier om naar Sparta te lopen, dus dan loop ik op eigen verantwoordelijkheid verder naar Sparta. Wat vind je daarvan?' ‘Ehh, het gaat mij om Paul, niet om Sparta', antwoord ik.

Paul doet gelukkig precies, dat, wat ik voorspelde: hij versnelt, en niet zo'n klein beetje ook. In de laatste 20 kilometers maakt hij elke post zo'n 5 a 7 minuten goed. Hij houdt woord, hij rent naar Sparta, in de voetsporen van Pheidippides.

 

En oogje toegeknepen

Niels en ik worden gek en beginnen steeds vroeger te klappen als hij als een stipje aan de horizon verschijnt. Het werkt aanstekelijk en de mensen bij de posten doen steeds harder mee. De official begint net als wij te grijnzen van oor-tot-oor, als Paul weer eens eerder dan verwacht om een bocht verschijnt. Niels en ik bedanken hem voor het feit dat hij Paul laat begaan. ‘Soms', zegt hij, ‘moet je een oogje toeknijpen'. Terwijl hij een hand op mijn schouder legt. De rillingen lopen ons over de rug. Een rush. Paultje Kamphuis gaat het halen. Steeds harder slaan we op het dak van de auto, waarbij Niels zo nu en dan zelfs de antennen meemept en schade aan het dak toebrengt; het maakt niet uit, we gaan los. Paul geeft alles in de afdaling en (her)vindt zijn ritme. Van de 25 minuten achterstand maakt hij er meer dan 20 goed. Niels en ik worden gek. Bij de 2-na-laatste post ontmoeten we de dames met wie we gisteren geluncht hebben. Ze hebben zojuist de mensen van de post ervan overtuigd niet de boel op te pakken met de woorden ‘If a man runs for 36 hours, you cab at least have the dignacy to wait another 10 minutes for him!'. Bij elke post is onze official weer daar om goodwill te kweken en Paul... die geeft alles! Minuten maakt hij goed, posten slaat hij over, hij presteert het zelfs om bij deze post te roepen: ‘Where is the bus!?', hetgeen gelach opwekt bij de post. De bezembus is inderdaad reeds vooruitgereden en Paul heeft zelfs zijn humor hervonden.

 

Sparta here we come

Met een rotgang scheuren Niels en ik vooruit naar Sparta, op zoek naar het beeld. We willen klaarstaan met onze camera's als Paul de teen van Koning Leonides kust. We sjezen als een jecko door Sparta en komen terecht in het gevolg van een huwelijk: scheurende en toeterende (race)auto's. Ai! Waar is dat verrekte beeld!? Een agente op een kruising fluit zo hard, dat haar oren opzwellen; snel doorrijden dus maar voor ze zichzelf iets aandoet. Verkeerd. Draaien dus maar. Gassen. Zelfde agente aanspreken: ‘waar is dat F... beeld!?' Ze blaast, spettert en kwijlt met roodaangelopen gezicht, stoom uit haar oren, een klein vingertje wijst achter haar, afslaan dus maar. Gassen. Het Sparta Inn hotel waar de atleten logeren. Het kan niet ver zijn. Parkeren. Zenuwachtig pakken we de apparatuur. Rennen. Plassen bij een café. Doorrennen. Een lange laan met enkele lopers. Volgen. Bepakt en bezakt halen we enkelen in en bereiken een podium met daarop het beeld, geflankeerd door een haag van enthousiaste toeschouwers die staan te klappen. We voelen ons euforisch en mengen ons tussen Henk, Simon, de Belgische equipe. Iedereen is hier. Hier om Paultje, de laatste en 97e loper en - in de woorden van de jury - the crazy Dutchman - te zien finishen - net buiten de tijd. Een enkeling merkt op dat het verschrikkelijk balen moet zijn voor Paul dat hij nèt buiten de officiële 36 uur zal gaan finishen. Wij wuiven het weg. Paul wilde naar Sparta; here he comes!

 

Once in a lifetime

De een na de andere loper stort zich vol overgave op het beeld. Allemaal hebben ze moeite met het kleine trapje en ze kwakken bijna allemaal met hun tandjes op het marmer als ze te enthousiast de vier treedjes aanvallen. Gelukkig zijn daar de helpende handen die toeschieten. De ontlading bij enkelen is fantastisch om te zien. Brullend en zwaaiend banen ze zich een weg door de mensenmassa richting het beeld. Ik pink een traan weg. Hoe moet het toch voelen om na twee hele dagen hardlopen in de hitte en een nacht met een gruwelijke bergpas, 246.000 passen en 70 verzorgingsposten, hier de trappen te bestijgen, door een haag van klappende supporters, waarna je te drinken krijgt uit de lokale Evrotas-rivier, een krans omgehangen krijgt en de bronzen voet van het beeld van koning Leonides mag kussen? A once in a lifetime experience; de tweede keer zal nooit hetzelfde zijn. En Paul loopt dan ook nog eens al zeker 40 kilometer laatste, vechtend tegen cut-off-times en officials. Dit is geen finishen, dit is geschiedschrijving... Pheidippides is back!

 

It's okay

Als de op-een-na-laatste gefinisht is, wordt het stil. De vlaggen rondom het beeld worden verwijderd en opgeruimd. Henk fluistert me in dat ze toch op z'n minst die ene vlag hadden kunnen laten staan. Weifelend vertrekken mensen. ‘Onze' official komt op me toe en fluistert ‘it's okay' terwijl hij grijnzend op mijn schouder slaat. En dan in de verte is daar Paul. Kinderen op fietsjes begeleiden hem. Ik slik. De haag van mensen heeft het nog niet echt door. De tijd tikt verder; drie minuten na de officiële 36 uren zijn verstreken. Bovenop het podium beginnen Henk, Niels en ik te klappen. Omstanders kijken verbaasd op, maar als ze doorhebben wat er gebeurt, haken ze aan. Mensen die wegliepen, keren op hun schreden terug. Paul verbijt zich. Een warme golf van applaus verwijdert zich van ons en verbreidt zich, van de trappen af, door de haag, richting Paul. Een haag van klappende mensen, waar Paul zich doorheen vecht. Hij glimt enerzijds, anderzijds ziet hij er getekend uit.

 

Kussen die voet!

Niels, Henk, Simon, de Belgische equipe, ikzelf; de ogen nat. Paultje heeft het geflikt. Eerste Nederlander, eerste Beneluxer. Hij knipoogt en richt daarna zijn hoofd naar de hemel. Hij strekt zijn armen de lucht in en laat zich op de voet van het enorme bronzen beeld vallen. De massa woelt, terwijl hij de krans krijgt omgehangen en te drinken krijgt uit de rivier. Meer dan 150 ultralopers die de finish dit jaar niet gehaald hebben, aanschouwen het ritueel. Ik realiseer me dat ik nooit dit gevoel en deze emoties zal doorleven. Nooit zal ik starten op de Spartathlon. Ik loop veel, ik loop alles, graag, maar niet dit. Het is tè ver, tè gruwelijk. Ik ben blij dat het voorbij is. Paul wordt naar een stoel bij de medische verzorgingstent begeleid. Veel mensen lopen mee en kijken toe hoe the Dutchman eraantoe is. Een haaibaai van een verpleegster ontdoet Paul binnen enkele seconden van het tape om zijn voeten. Hij scheldt haar helemaal verrot. Maar als ik zeg dat ze er ook 20 minuten over kan doen; 20 minuten pijn, wordt hij milder. De voeten gaan in een voetenbad met ontsmettingswater. Het moet heerlijk zijn, getuige de voldane grijns op Paul's gekranste gezicht. Dan is daar de Belg Leo Pardaens, die heel laat in de wedstrijd genoodzaakt was uit te stappen. Hij omhelst Paul. Henk en Simon staan met natte ogen. Ultralopen verbroedert, constateren Niels en ik. Paul krijgt blauwe boterhamzakken om zijn gehavende voeten en wordt met een taxi afgevoerd naar het hotel, nadat zijn hartslag goed is bevonden. Met een taxi afgevoerd!? Benieuwd hoe het Pheidippides in zijn tijd verging!

 

Deel IV; nawoord

Nawoord

Henk, Simon, Paul, Niels en ik hebben om negen uur in de lounge van het hotel afgesproken om een biertje te gaan drinken. Een en ander zou echter anders verlopen. In heel Sparta blijken Niels en ik geen bed meer te kunnen krijgen en we zjn genoodzaakt uit te wijken naar de stad Gytheio, 40 kilometer verderop. Na ruim 40 uur zonder slaap moeten we nog 40 kilometer rijden, na een zoektocht naar een hotel. We vertrekken direct, nadat we een briefje voor Henk en Simon bij de receptie hebben achtergelaten. We kloppen nog even aan bij Paul's kamer, om hem op de hoogte te stellen van dit heuglijke feit. Paul is - op z'n zachtst uitgedrukt - aan het eind van zijn Latijn (Grieks past beter in de context). Hij heeft net gedoucht en ligt als een hoopje ellende op zijn bed. Blaren, schuurplekken, verbrand, zeker 10 kilo lichter, getekende kop, ribben aan de oppervlakte, niet heel scherp en al helemaal niet in staat om een biertje te pakken!

Met moeite laten we hem achter in de hoop dat hij morgen weer wakker wordt. Zelf scheuren we met een rotgang naar Gytheio. De receptioniste schreeuwt ons nog na dat er misschien vanavond nog kamers vrijkomen, een en ander afhankelijk van het aantal atleten dat de nacht in het ziekenhuis moet doorbrengen, maar wij willen daar niet op wachten. Ook wij zijn gesloopt. Het einde van een zeer emotionele dag. Wat zeg ik? In 44 uur hebben we het leeuwendeel van Griekenland kunnen aanschouwen en zijn we op plekken geweest waar toeristen niet komen. Sterker nog: waar toeristen verdwijnen en huurauto's worden teruggevonden. Aldus het verslag van de Spartathlon 2006 vanuit een coachperspectief! En Paul? Paul hield woord, hij rende naar Sparta in de voetsporen van Pheidippides en... herstelde snel!

 

Paul gefeliciteerd!

Je begeleidingsteam, Niels & Jan Fokke