De condities
De weersomstandigheden op Groenland kunnen ruig zijn. Hele harde katabatische winden zijn normaal en de temperaturen kunnen zelfs tijdens het expeditieseizoen (zomer, april/ mei) zakken tot beneden de 40 graden onder nul.
De weersomstandigheden zullen tijdens de oversteek variëren tussen aangenaam zonnig en ‘warm', waarbij je in je termondergoed kan rondhobbelen, tot ijzig koud en winderig waarbij de gevoelstemperatuur kan dalen tot 60 graden onder nul, waarbij je met een volledig gezichtsmasker en pooluitrusting rondloopt, of lekker in je tentje blijft liggen.
Bij een gevoelstemperatuur van minus 30 is elk stukje onbedekte en blootgestelde huid binnen een minuut bevroren. De temperaturen zijn op z'n laagst op de rug van de ijskap (2.500 m), waar ook de hoogte een rol speelt. In principe daalt de temperatuur in het algemeen ongeveer 6 graden per 1.000 meter.
Als het 's nachts stormt moeten we alsnog zo nu en dan uit de tent om hem uit te graven en de sneeuwwallen te verstevigen, zodat de tent beschermd blijft en de wind niet onder de tent kan slaan. De tent vormt onze levenslijn, die ons beschermt tegen stormen en koude. Voordat we de tent uit de pulka halen moeten we hem met een touw aan een pols bevestigen, zodat hij niet kan wegwaaien en daarme onze overlevingskansen nogal gereduceerd worden.
Katabatische winden zijn krachtige winden die vanaf het hoger gelegen centrum van de ijskap komen gewaaid, als gevolg van de zwaartekracht. Ze rollen als het ware naar beneden en krijgen daardoor kracht.
Soms stuit je tijdens de oversteek op Sastrugi. Dit zijn door de wind gevormde onregelmatige ijsrichels op een oppervlakte van sneeuw. Een terrein dat moeilijk te doorkruisen is en waarbij je je pulka continu omhoog moet leuren, waarna hij vervolgens achterop je skies en onderbenen knalt.






