De expeditie
In Groenland bestaan oneindig veel mogelijkheden om te klimmen, skilopen, kayakken, trainen en hiken. Groenland is eigenlijk een grote verlaten ijskap. Paul en ik gaan de ijskap oversteken. We doen de klassieke Nansen-route, een oversteek van Nagtivit aan de oostzijde van Groenland naar Kangerlussuaq aan de westkust. Kangerlussuaq of Sǿndre Strǿmfjord vormt Groenland's belangrijkste transitoluchthaven aan de westkust.
Met Air IJsland en Iceland Air vliegen we naar de oostkust van Groenland waar we landen op Kulusuk International Airport (gravelstrook ;-). We moeten slack inlassen omdat het zo kan zijn dat de landingsbaan een aantal dagen onbereikbaar is wegens hevige sneeuwval. Dezelfde dag nog moeten we onze pulkas ophalen en krijgen we de coördinaten van het trainingskamp waar we naartoe moeten lopen. In het trainingskamp worden we gedurende één dag getraind door een poolgids in de basic arctic survival skills. Zie verder onder training>>.
Na de trainingsdag volgt een helikoptertransfer naar een hotel dat zich net onder de ijskap bevindt. Hier is een grote ‘pakruimte' waar we de gelegenheid krijgen de pulka definitief in te pakken voor de oversteek. De volgende dag volgt een check bij de lokale politie die expeditieplannen en de uitrusting inspecteert, waarbij we meteen ons wapen krijgen toegewezen om de ijsberen van ons lijf te houden.
We vliegen vervolgens met een helikopter van de oostkust de ijskap op, waarna we worden gedropt en aan ons lot worden overgelaten op 800 meter hoogte, op de Hahn-gletscher (vlakbij Tasiilaq/ Isortoq). We skilopen vervolgens met onze pulka's (poolsleden) van 100 kilo in 25 tot 30 dagen naar de westkust.
De eerste dagen van de expeditie gaan langzamer dan de laatste dagen. Dit omdat de pulkas in het begin op hun zwaarst zijn. Bovendien gaat het eerste deel van de expeditie bergop tot we op de kam van de ijskap zijn, waarna we afdalen en de dagafstanden langer worden. In het begin is het bovendien wennen aan de belasting, de routines, het opzetten en inrichten van een kamp. Het ontwikkelen van routines en ritmes en het op elkaar ingespeeld raken is van groot belang in verband met de efficiency. Winst zit niet in het sneller skiën, maar in het snel opzetten en afbreken van jet kamp. Maar ook is efficiency belangrijk in het geval er een pitoraq opsteekt, een zogenaamde pittige poolstorm met windsnelheden tot 200 kilometer per uur. Zie ook onder condities >>
De eerste dagen wordt tevens het tempo gedrukt door het ontwijken van crevassen. De ijskap staat aan de (kust)rand onder spanning, omdat het ijs afbreekt en in zee valt. Door de spanning ontstaan aan de rand spleten en scheuren, een euvel dat ons waarschijnlijk alleen de eerste drie dagen dwars zal zitten.
Nadat we gewend zijn aan het ritme zullen we geleidelijk aan het aantal loopuren opvoeren. Nota Bene: niet het tempo! De belangrijkste les gedurende het skilopen is dat je niet te hard moet gaan zweten, want zweet... juist ja: bevriest. In de woorden van poolgids Matt: rush slowly. Beter langer dan sneller is het motto.
De bergen aan de westkust vormen het teken dat moeilijker terrein in aantocht is. Aan de westkust moeten we via een crevassengebied (gletscherspleten en smeltwater) weer van de ijskap af zien te komen, waarna we door een terreinwagen worden opgepikt. We moeten ons met de pulka een weg banen tussen gletscherspleten en scheuren door, door smeltwater en over blank ijs, waarop de ski's en pulkas maar moeilijk grip hebben. Dan, na een dag of 25, zullen we weer op land stuiten; stenen, mos en platen na weken va wit. Na telefonisch contact zal een terreinwagen ons oppikken aangezien we op ski's en met de pulkas over land niet verder kunnen. Uieindelijk kunnen we na 25 dagen afzien, koude en vooral stank onszelf baden en ons vergapen aan een (toch weer koud) biertje.






